woensdag 18 april 2012

Breivik als christen


Trouw bericht dat Ides Nicaise in De Morgen een oproep doet aan kerken en christenen om afstand te nemen van Anders Breivik. De Noorse massamoordenaar beroept zich op zijn christelijke identiteit en fundeert mede daarin het recht, sterker nog: de noodzaak, om te strijden tegen de Islam. Nicaise stelt dat kerken zich veel explicieter moeten distantiëren van Breiviks ideeën, op de wijze waarop Fetullah Gülen dat gedaan heeft ten opzichte van Osama bin Laden. Nicaise heeft gelijk en ik neem de handschoen graag op, zonder overigens op enigerlij wijze te kunnen spreken namens ‘de kerken’.

Ik ben ervan overtuigd dat verreweg de meeste christenen, waar ook ter wereld, gruwen van Breivik, van zijn daden en van zijn gedachten. Leidt dat tot een publieke veroordeling door de kerken? Tot dusverre vooral onuitgesproken en impliciet, vooral omdat zijn daden zó abject zijn en zijn ideeën zó weerzinwekkend, dat het vanzelf spreekt dat christenen zich van de man distantiëren. Zou het explicieter kunnen? Ja, vast wel. Is dat nodig? Misschien wel, omdat het duidelijk zo maken waar het de kerken, waar het christenen om gaat.

Deze situatie stelt een aantal vragen heel scherp. Allereerst is er de vraag hoe we moeten aankijken tegen Breiviks ‘christelijke’ pleidooi. Daarnaast is er de kwestie of er een verschil is tussen Breivik en Bin Laden. En tenslotte stelt Breivik ons voor de vraag wat zijn misdaad en zijn verdediging doen met ons mensbeeld.

Allereerst Breivik als christen. Zijn beroep op het christendom als legitimering van het door hem gebruikte geweld is volkomen fout. In het christelijk geloof gaat het om mededogen, om erbarmen, om naastenliefde en liefde tot God. In wat Breivik heeft gedaan is geen enkele plaats voor welk van die ideeën dan ook. Hij heeft een ultieme daad van vernietiging gepleegd, waarbij hij willekeurige mensen vermoord heeft. Zijn slachtpartij legitimeert hij achteraf met een ogenschijnlijk doordachte verdediging: het zou een daad zijn ter bescherming van de christelijke cultuur, ter bescherming van de rechtstaat. Dat is natuurlijk zo onzinnig, dat geen zinnig mens er maar een woord aan vuil wil maken. Breivik als christen is een lachertje. Het is een leugen achteraf en als hij het zelf gelooft, gaat het om een volslagen waanidee. Een eerste blik op de bijbel leert ons dat Jezus’ eerste volgelingen zijn ideeën hieromtrent als volgt samenvatten:

‘Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” En ik zeg zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht. Wie tegen hen “Nietsnut!” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan.’ (Matteüs 5:21-22, NBV).

Een christelijke ethiek houdt in dat je bij een conflict geen wapen pakt, maar spreekt. Volgens boven geciteerde woorden van Jezus staat schelden zelfs al gelijk aan moord en helder is dat ook schelden niet mag. Laat staan schieten. Exit dus Breivik als christen.

Dat brengt ons bij de tweede vraag: wat is het verschil tussen Breivik en Bin Laden? In het kort luidt het antwoord: geen. Je zou hoogstens kunnen zeggen dat Breivik zelf geschoten heeft of dat Bin Laden meer slachtoffers gemaakt heeft. Maar uiteindelijk maakt het geen verschil. En wanneer je langs die lijn verder denkt, maakt het ook geen verschil of je 77 mensen doodschiet, 2973 mensen, 6 miljoen joden of één mens. Vanuit christelijk perspectief is het leven heilig en wie zich bezondigt aan het doden van een mens, heeft zich te verantwoorden tegenover God en mens. Dit is een heel helder standpunt en een alternatief is er niet. Het gaat namelijk niet om het getal. Als 77 mensen doden niet geoorloofd is, is het doden van tien mensen dat dan wel? En als tien mensen doden niet geoorloofd is, is het doden van twee dat dan wel? Als het doden van twee mensen niet geoorloofd is, is het doden van een dat dan wel? Neen! Dat betekent, dat de grens niet ligt bij het aantal slachtoffers, maar bij moord. In jodendom, christendom én islam is de grens niet het aantal doden, maar het doden zelf. Dat maakt dat Breiviks beroep op het christendom theologisch net zo fout is als Bin Ladens beroep op de islam.

Zo komen we bij de derde vraag. Wat leert Breivik ons over de mens? Wat hier opvalt, is de machteloosheid die het proces van Breivik in brede kring oproept. Er is bij velen – terecht –  verontwaardiging, woede, afschuw, walging. Dat roept in het algemeen de behoefte op om weg te kijken, om de aandacht op iets anders te vestigen. Maar wat als we dat nu even niet doen? Er is maar een conclusie uit dit geheel: het beeld van de mens als goed is aan herziening toe. Is de mens slecht? Nee, beslist niet. Er zijn talloze voorbeelden te geven van mensen die afzien van hun eigenbelang, die zich ontfermen over hun medemensen, die puur goed doen. Dat is de mens zoals we hem graag zien. Je zou daardoor kunnen gaan geloven dat de mens volledig goed is. Maar goed doen en goed zijn zijn twee verschillende zaken. Breivik toont aan dat een mens ook kwaad kan doen. Het kwaad bestaat in zijn geval niet alleen uit zijn daden, maar ook uit zijn schaamteloze verdediging van wat hij heeft gedaan. Het leert mij in ieder geval dat de mens ook kwaad kan doen. Vreselijk kwaad zelfs. Toen ik theologie studeerde was de verwerking van de Tweede Wereldoorlog nog in volle gang. De theologische impact van Hitler was dat het bewustzijn doorbrak dat hij geen buitencategorie, geen duivel was. Hij was een mens en dat was het ergste van alles. En als één mens tot dergelijke gruweldaden in staat is, dan schuilt de capaciteit om zoiets te doen in iedere mens. Dat willen we maar al te graag vergeten, maar Breivik toont aan dat het klopt. Dit is de diepere reden waarom zovelen sprakeloos zijn bij het aanschouwen van zijn proces.

Om terug te komen bij Nicaise: het christelijk geloof heeft een woord dat deze potentie tot kwaad in de mens uitdrukt. Het is het woord ‘zonde’. Ook zo’n term waarbij je maar liever de andere kant opkijkt. Triest genoeg blaast Breivik deze term nieuw leven in. 

vrijdag 6 april 2012

The Passion Rotterdam – Pasen 2012


Op de avond van Goede Vrijdag 2012 heb ik alsnog The Passion Rotterdam kunnen bekijken, daags eerder uitgezonden op televisie. Verleden jaar viel het project in Gouda me tegen, maar dit jaar reageer ik anders. Ben ik veranderd? Is de uitvoering zo anders? Misschien wel allebei. Hoe dan ook: ik heb een bijzondere uitzending gezien.

In 1981 ging ik theologie studeren. Ik moest me toen tegen de hele wereld verantwoorden: “Theologie? Ga toch iets nuttigs doen! Ga een vak leren waar je geld mee kunt verdienen! Of wijd je leven tenminste aan iets anders dan dit soort onzin.” Dat was de gemiddelde reactie.
Wie had toen kunnen denken dat anno 2012 een eigentijds passiespel, met grootheden uit de Nederlandse populaire muziek, massaal uitgevoerd in Rotterdam, met duizenden bezoekers, live op prime time op Nederland 1 zou worden uitgezonden? En dat die uitzending live 1,7 miljoen kijkers zou trekken?

Ik heb van theologie mijn vak gemaakt en ben gespecialiseerd in het Nieuwe Testament. Ik wijd mijn leven dus aan het bestuderen van de teksten waarvan bij The Passion een nieuwe vertolking geboden werd. Het was misschien wel daardoor dat ik met enige scepsis de uitzending aanzette. Ik wilde het zien, vooral om op de hoogte te blijven van wat er gebeurt.

Voordat ik uitzendinggemist.nl opzocht, had ik de nodige kritische reacties gezien. Zo schreef het Reformatorisch Dagblad over de vervlakking van het evangelie. De Volkskrant, waarop ik zelf een abonnement heb, viel weer eens terug in intellectualistisch anti-religieus geneuzel door het hele project genadeloos af te serveren. De combinatie maakte me nieuwsgierig. Als een eigentijdse vertolking wordt afgewezen door traditionele christenen én seculiere grachtengordelintellectuelen is er dus iets aan de hand. Dan gebeurt er iets, wat niet past binnen de kaders van vooringenomen posities. Tijd dus voor een analyse.

Ik moet ogenblikkelijk toegeven dat ik vooringenomen was voordat ik ging kijken. Danny de Munk als Jezus, Frans Bauer als Petrus, Berget Lewis als Maria. Daar moest ik me even overheen zetten. Alledrie zijn ze goed, daar niet van, maar hun genre is het mijne niet. En toen zag ik een stukje van De Wereld Draait Door van woensdag 4 april. Matthijs van Nieuwkerk probeerde het onderwerp, als zo vaak wanneer het gaat om een religieus onderwerp, wat lacherig te introduceren. Danny de Munk als Jezus, Frans Bauer als Petrus, Berget Lewis als Maria, dat is toch een goeie grap? Tot mijn verrassing reageerden de artiesten op een andere manier dan Van Nieuwkerk leek te verwachten. (Overigens spreidde hij zijn onkunde aardig ten toon door van Petrus te zeggen dat hij Jezus driemaal “verraden” heeft, in plaats van “verloochend” – ontkend dus).  Het verhaal bleek iets met hen te doen.

Intussen had ik geprobeerd mijn vooringenomenheid te overwinnen en tenminste het project te bekijken. Dat is dus vanavond gelukt en nu is de vraag: wat heb ik gezien?

Ik was verrast en ontroerd. Verrast, omdat hier iets heel bijzonders gebeurde. Ontroerd, omdat een totaal eigentijdse interpretatie van het lijdensverhaal van Jezus Christus op een spraakmakende manier gebracht werd. Technisch was het allemaal uitstekend verzorgd. De keuze van de muziek was heel erg goed, de vertolking van de muziek was ronduit prima en de opnames waren bijzonder knap. De uitzending was dus vreselijk goed samengesteld.

Dan blijven er twee vragen over: Kun je met het evangelie op deze manier omgaan? En: hoe kijk ik daarnaar als nieuwtestamenticus, theoloog, gelovige?

Eerst de eerste vraag: kun je met het evangelie op deze manier omgaan? Een punt van kritiek dat wel geventileerd wordt, is dat je een heilig verhaal niet zo mag weergeven. Populaire artiesten, overwegend seculier, die het verhaal van Jezus neerzetten, is dat geen heiligschennis? Ach, ik herinner me de ontvangst van Jesus Christ Superstar, begin jaren 70. In traditionele kringen, waartoe mijn ouders behoorden, werd die musical over het lijden en sterven van Jezus kritisch bekeken. Als tiener was ik er dol op. Niet alleen vanwege de briljante muziek, maar ook – vooral – vanwege het verhaal. Ook toen klonk dus de kritiek. Ian Gillan, de zanger die in de musical versie de rol van Jezus vervulde, was vooral de lead-singer van Deep Purple. Wie kent zijn Child in Time niet? Een fantastische rockzanger. Hoe kon zo’n man nou toch Jezus spelen? Hoe kan Danny de Munk nou toch Jezus spelen? Het is dezelfde discussie.

De afgelopen week zijn talloze Nederlanders naar een uitvoering van de Matthäus Passion geweest. Ook voor mij behoort Bachs meesterwerk tot de allermooiste muziek ooit door een mens geschreven. Eigenlijk: een Godsbewijs. De vraag is alleen of de vele tenoren die in dat meestwerk de rol van Jezus zingen beter geschikt zijn voor die rol dan Danny de Munk. De muziek is anders, maar het probleem niet. Ten diepste is het een theologisch probleem: hoe kun je als mens de rol van Gods Zoon vervullen? Kan dat wel? Mag dat wel?

Ja, het mag. Het verhaal van Jezus is een verhaal dat telkens opnieuw, in telkens nieuwe omstandigheden verteld moet worden. En dus kan ook Danny de Munk Jezus zijn.

Dan blijft de tweede vraag over: hoe kijk ik hiernaar als theoloog en als gelovige?

Artistiek en filmisch was het een groot succes. Indrukwekkend, hoe woorden van Bløf, Ruth Jacott, De Dijk, Paul de Leeuw, Andre Hazes, Stef Bos, Gordon, Marco Borsato, Frank Boeijen en Toon Hermans een nieuwe dimensie krijgen door ze te plaatsen in het lijdensverhaal van Jezus Christus. Als bijbelwetenschapper zou ik een hoop kritische opmerkingen kunnen plaatsen bij de manier waarop de evangeliën verwerkt zijn in The Passion, maar dat doe ik niet. Ik heb een heel bijzonder project gezien, dat een enorm publiek bereikt heeft.

De enige kritische noot die ik nu nog wil slaken is: het boek is beter. Ik hoop dat het zien van The Passion de kijker ertoe aanzet nu de evangeliën ter hand te nemen en te gaan lezen. Voor de beginnende lezer zou ik dan willen afsluiten met het advies: lees dit Paasweekend eens het hele evangelie van Marcus. Kijk eens wat het met je doet.

Al met al denk ik dat een groot compliment aan EO, RKK, PKN en het bisdom Rotterdam op zijn plaats is.

En na het lijdensverhaal is het nu tijd voor het feest van de opstanding. Een gezegend Pasen gewenst!

zondag 5 februari 2012

Angela Roothaan - Geesten

Afgelopen vrijdag mocht ik met twee anderen reageren op het nieuwste boek van Angela Roothaan, Geesten (2011). Hier de tekst van mijn respons:


1. Met veel interesse heb ik Geesten gelezen. Nu moet u weten: ik ben dol op geesten, maar ook op spoken, magie en alles wat met het onzienlijke te maken heeft. De wereld van oncontroleerbare verschijnselen, van verbanden waarvan de aard niet te overzien valt is een wereld naast te wereld van de ratio en de wetenschap. Deze onzienlijke, niet controleerbare wereld is lang terzijde geschoven via het motto van Abschnitt 7 van Ludwig Wittgensteins Tractatus Logico Philosophicus (1918): “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen.” Nu houd ik erg van spreken over zaken waarover volgens Wittgenstein I niets te zeggen valt en dat zal ik dan ook graag voortzetten.

2. Mijn eigen interesse in het verschijnsel geesten is reeds lang geleden gewekt. In mijn tienerjaren las ik alles wat los en vast zat over parapsychologie en paranormale verschijnselen. Spookhuizen, geestesverschijningen en interventies in het menselijk leven door overleden voorouders — ik beschouwde het allemaal als volstrekt vanzelfsprekend. Angst heb ik er nooit voor gekend, fascinatie erdoor was er wel. Grappig genoeg nam ik het allemaal nooit helemaal serieus, terwijl ik er geen enkele twijfel over had. Geesten bestonden en konden zelfs met mensen communiceren. Tot op zekere hoogte dan, want de interpretatie van hun mededelingen was wel een ingewikkelde kwestie. In mijn gymnasiumperiode viel mij al op hoe in de teksten van klassieke auteurs de wereld van de geesten in het geheel geen punt van gesprek was. Epicurus was de uitzondering; de gemiddelde auteur wist eenvoudig dat er een onzienlijke wereld is die door de zichtbare wereld heen loopt.

3. Eenmaal ingeschreven bij de studie Theologie aan de Rijksuniversiteit Groningen werd ik, met mijn jaargenoten, getracteerd op een themaweek over parapsychologie. Wij werden vergast op een college van een parapsycholoog uit Utrecht — helaas ben ik zijn naam vergeten. Het was een bijzonder interessant college. De docent ging in op de wetenschappelijke bestudering van verschijnselen die bekend staan als ‘paranormaal’. Geestesverschijningen, spookhuizen, klopgeesten, wonderlijke vormen van synchroniciteit en noem maar op. Zijn conclusie was een hele heldere: “Zo’n 80 procent van de verschijnselen die bekend staan als paranormaal is uitstekend langs wetenschappelijke weg te verklaren. Alleen: het resterende deel, en dat is dan zo’n 20 procent, is dat niet. Het gaat daarbij om verschijnselen die zich onttrekken aan de menselijke capaciteit zaken te verklaren. Die 20 procent is langs wetenschappelijke weg niet te plaatsen. Het enige wat ik erover kan zeggen, is: houd je er NOOIT mee bezig. Je komt namelijk in contact met een wereld waarover je geen enkele macht hebt, waarop je geen enkele invloed kunt uitoefenen. Het kan een mens kapot maken.”

4. Gezagsgetrouw als ik ben besloot ik dit advies ter harte te nemen. Ik heb mij nooit meer — tot op de dag van vandaag — actief bezig gehouden met het opzoeken van de wereld van de geesten. Wat ik wel heb gedaan, is studie maken van magie in de wereld van het vroege christendom. Het is een bijzonder interessante wereld, vol wonderlijke en soms ook beangstigende fenomenen. De stap die ik toen gezet heb, is primair een academische: ik heb besloten dat ik mij niet meer zou bezig houden met de wereld van de geesten, maar met de wereld van hen die in geesten geloven. Het is ten principale het verschil tussen de theoloog en de religiewetenschapper. De theoloog houdt zich bezig met de wereld van God, de religiewetenschapper kijkt naar de wereld van de gelovigen. Al ben ik wel een theoloog, ik doe toch primair het laatste. Zeker als het om magie en geesten gaat.

5. Wat mij in mijn eigen werk is opgevallen, is ook wat Angela Roothaan in haar boek naar voren haalt: de wereld van de westerse wetenschap staat eigenlijk machteloos tegenover het geloof in geesten. Waar haar rationalistische paradigma gegroeid is via de weg van Descartes en Kant via het 19e eeuwse positivisme naar het 20e eeuwse materialisme, is de wereld van de geesten in toenemende mate buitengesloten. Roothaan toont in haar boek haarscherp aan — en dat vind ik een van de grote winstpunten — dat de 18e eeuwse scepsis over geesten vooral epistomologisch van aard was. De grote wending van Kant was natuurlijk dat geesten werden toegeschreven aan de wereld van het Ding an sich en buiten het bereik van de menselijke waarneming kwamen te liggen. Vanaf dat moment is de ontwikkeling van wetenschap en wijsbegeerte zo zeer op deze epistomologische basis voortgegaan, dat niet alleen kennis van geesten buiten het geaccepteerde referentiekader kwam te liggen, maar ook het bestaan ervan.

6. Op mijn eigen vakgebied geldt wat mij betreft: over goddelijke interventies in het menselijk leven kunnen we niet met zekerheid spreken, maar het menselijk spreken over dergelijke interventies kunnen we niet alleen analyseren, maar moeten we ook heel serieus nemen. Mutatis mutandis kun je deze methodologische benadering extrapoleren naar het onderwerp van vandaag. Over het bestaan van geesten kun je wetenschappelijk misschien niet al te veel zeggen, maar het bestaan van menselijk spreken over geesten is evident. Een dergelijk discours vanuit een westerse ivoren toren als “premodern” bestempelen is niet alleen eurocentristisch, maar ook gewoon kortzichtig. De grote winst van het boek van Roothaan vind ik, dat zij dit punt heel duidelijk neerlegt en de lezer ermee confronteert.

7. In magische teksten van de late oudheid is het principe van de sympatheia een belangrijk principe. Handelingen en daden hier en nu staan nooit op zichzelf, maar staan in een samenhang met handelingen en daden daar en toen of daar en dan. Het heden staat in een verband met het verleden en de toekomst. Het hier staat in een verband met het daar. Het probleem is, dat de aard van dat verband voor de mens hier en nu niet duidelijk is. Het is in wezen hetzelfde epistemologische probleem dat ik zojuist noemde: op zijn best kan ik een overeenkomst waarnemen, maar welk verband er achter dergelijke overeenkomsten schuilgaat, ontsnapt aan mijn waarneming.

8. Dit principe van sympatheia, van samenhang tussen ogenschijnlijk losstaande gebeurtenissen en plaatsen, komt in het boek van Roothaan het beste naar voren in haar bespreking van Carl Gustav Jung en zijn nadruk op synchroniciteit. Roothaan beschrijft, uit het werk van Jung, het volgende voorbeeld. Een duitse vrouw brengt in 1914 een fotorolletje naar de fotograaf. Ze heeft foto’s gemaakt van haar pas geboren zoontje. Doordat de oorlog uitbreekt, kan ze het niet meer ophalen. Twee jaar later wordt haar dochter geboren. Ze koopt een nieuw rolletje en fotografeert haar dochter. Als dit rolletje ontwikkeld wordt, blijkt het hetzelfde rolletje te zijn. De foto’s van haar beide kinderen zijn over elkaar heen op de negatieven terecht gekomen. Het verhaal roept de vraag op: is dit toeval? Is het lotsbeschikking? Er is een overeenkomst, maar is er ook een verband? Een samenhang? Ook hier is de vraag hoe overeenkomstige gebeurtenissen en toevallige wendingen deel uitmaken van een verband, een patroon. Je kunt vermoeden dat er een patroon is, maar kun je het waarnemen? Analyseren? Opnieuw blijkt het probleem vooral kentheoretisch van aard. Of zou ik misschien moeten zeggen dat het probleem hermeneutisch van aard is, omdat het gaat om de interpretatie van patronen waarvan de aanwezigheid niet te loochenen is?

9. Laat ik eens de stap zetten om de argumentatie van Roothaan kort samen te vatten. In nuce komt haar boek op het volgende neer. De rationalistische stroming in de wijsbegeerte heeft er vanaf Descartes hard aan gewerkt de wereld van geesten en dergelijke verschijnselen buiten beeld te houden, omdat zij niet controleerbaar is en daarmee niet te bestuderen valt. Desondanks zijn geesten in de geschiedenis van de wijsbegeerte herhaaldelijk teruggekomen. De betoverde wereld van Balthasar Bekker, 1691 (genoemd in het openingshoofdstuk), is onttoverd en uitgekleed. Roothaan beschrijft de ontwikkeling in de filosofie die uitmondt in het postmodernisme van de 20e eeuw. Daar, evenwel, is het de deconstructie van Derrida die van een ontology overgaat op een hauntology, een ‘spokologie’. Volgens Derrida komt datgene wat verdrongen wordt en doodgezwegen langs andere weg onherroepelijk terug en meldt het zich opnieuw aan de voordeur. In de beschrijving van Roothaan is dat nu precies wat er gebeurt in de ontmoeting met niet-westerse culturen. De interculturele filosofie en vooral de interculturele hermeneutiek staat voor een grote vraag: hoe om te gaan met het hernieuwde geloof in geesten, dat via niet-westerse immigranten in West-Europa en Noord-Amerika opnieuw tot leven lijkt te komen?

10. Ik wil terug naar het beginpunt. Een van de grote vragen waar Roothaan ons voor stelt, is deze: welke plek geven wij in een westerse, rationalistische academische context aan het irrationele? Wat is de plaats van het geestelijke in een door materialistische principes geregeerde neo-liberale context van de academie? Staat u mij toe de consequenties van Roothaans werk te schetsen: In haar argumentatie ontmoet de wijsbegeerte, wordt de academie door het postmodernisme en de interculturele ontmoeting met niet-westerse visies opnieuw geconfronteerd met een verschijnsel waarvoor geen plek meer was, namelijk geesten. Je zou dit punt mogen verbreden en wat mij betreft mogen zeggen: de materialistische en positivistische principes van de westerse wetenschap botsen bij dit onderwerp op de wereld van het geestelijke.

11. De door Roothaan geschetste ontwikkeling staat niet op zichzelf. Toen ik begon met mijn studie theologie, intussen 30 jaar geleden, was de vrijwel algemeen uitgesproken verwachting dat we ons in de nadagen bevonden van het christendom en van religie als geheel. De toekomst was seculier en rationeel. Het was een haast messiaans geloof: de mens zou eindelijk definitief bevrijd worden van het juk van de religie. De mens zou zelfstandig worden, inzien een louter rationeel wezen te zijn en de tijd van het geloof was bijna voorbij. Drie decennia later blijkt het toch anders te gaan. Geloof en religie zijn er nog altijd en je zou mogen zeggen dat de mens toch zo religieus blijkt te zijn, dat het messiaanse geloof in de ondergang der religie een vergissing gebleken is.

12. Maar nu dan de hete aardappel die ik de hele tijd voor mij uitschuif. Geloof in geesten is terug, of beter: blijkt nooit weg geweest te zijn. Als theoloog en religiewetenschapper zit ik met een probleem waarmee nu ook de wijsbegeerte blijkt te zitten. Ik kan bestuderen wat mensen over God zeggen, maar niet God zelf. Het spreken over God is cultureel en sociaal bepaald, is historisch ingebed, maakt gebruik van bepaalde taal, verhalen en concepten. Ik kan als religiewetenschapper dit spreken bestuderen. Als theoloog kan ik ook de consistentie van dit spreken toetsen en laten zien dat het ene discours beter past dan het andere. Alleen wat ik niet kan, is uitspreken dat het ene discours goed is en het andere fout. Daarvoor zou ik het menselijk spreken moeten toetsen aan God zelf. Dat laatste kan ik niet als wetenschapper, dat kan ik alleen als gelovige. Wat ik erg plezierig vind aan dit boek, is dat nu blijkt dat ik niet de enige ben die met dit probleem zit. De wijsbegeerte blijkt er ook mee te zitten en dat wordt manifest aan de hand van het onderwerp van dit boek: Geesten.

13. Auteurs in de oudheid hebben in het geheel niet de voorzichtigheid die onze academische context terecht typeert. Waar ik mij zeer bewust ben van het probleem dat ik zojuist beschreef, spreken auteurs uit de oudheid zonder enige schroom over geesten en hun activiteiten. Zo beschrijft de 2e eeuwse auteur Apuleius in zijn werk Over de god van Socrates een taxonomie van geesten. Hij geeft aan hoe de zielen van gestorvenen overgaan naar een bestaanswijze die lijkt op die van de daimones. In het Latijn worden zij aangeduid als lemures. Sommigen van deze lemures ontfermen zich over hun eigen nabestaanden en functioneren als beschermende geesten, de lares. Geesten van slecht gestorvenen, mensen die voortijdig of gewelddadig aan hun eind gekomen zijn, kunnen zich in hun woede wreken op nog levende mensen. Deze groep staat bekend als de larvae. Dit zijn de geesten die je beter kunt vermijden. Apuleius voegt hieraan toe dat het niet altijd ogenblikkelijk duidelijk is met welke groep geesten een mens te maken heeft en om die reden is het beter de lares en de larvae gezamenlijk aan te duiden als de Di Manes. Het meest voorkomende grafschrift in de latijnse oudheid is niet voor niets “D.M.”: Dis Manibus — aan de goden van de onderwereld.

14. Een classificatie van geesten als die van Apuleius is voor moderne onderzoekers niet meer te maken. Toch stelt Roothaan ons nu ineens voor een nieuw probleem. In de filosofie blijkt het spreken over geesten niet zodanig uitgebannen, dat dat spreken voorgoed voorbij is. Sterker nog, het komt terug van over zee. Met dat spreken komt ook de realiteit terug. De grote vraag die voortkomt uit het werk van Roothaan is nu: hoe zit het met de zaak waarover gesproken wordt? Het spreken over geesten is traceerbaar en kan bestudeerd worden. Ook hier geldt dat een dergelijk discours een sociale en culturele inbedding heeft, een historische context en geanalyseerd kan worden. De hamvraag evenwel is de vraag of er aan dit spreken ook een werkelijkheid correspondeert buiten de taal. Het is dezelfde vraag waarmee ik als theoloog en religiewetenschapper te maken heb. Waar de de religiewetenschapper godsdienst bestudeert etsi deus non daretur, spreekt de theoloog etsi deus daretur. De vraag komt van daaruit bij mij op: hoe dient de filosofie nu te spreken? Etsi spiritus daretur aut etsi spiritus non daretur?

15. Belangrijker dan de vorige vraag is de vraag hoe mensen spreken over geesten. Hier verschuift de aandacht naar het spreken, naar uitingsvormen, naar gedrag en interpretatie. Dit spreken, dit gedrag, deze interpretaties zijn uiteraard goed te bestuderen. De grote winst van dit boek is dat het aantoont dat die bestudering noodzakelijk is. Net zoals de bestudering en doordenking van het verschijnsel religie noodzakelijk is.

16. Laat ik mogen afsluiten met een voorbeeld waaruit de noodzaak van bestudering en doordenking van deze dimensie van de werkelijkheid duidelijk wordt. Ik herinner mij uit mijn tienerjaren het verhaal van twee Amerikaanse toeristen in Normandië. Het paar was begin jaren 70 van de vorige eeuw op een van de stranden waar zich de invasie van D-Day heeft afgespeeld. De twee liepen over het strand toen er uit het niets opeens een enorm geluid opklonk. Het was het geluid van de oorlog. Geweerschoten, bulderende kanonnen, schreeuwende militairen. De beide toeristen bevonden zich alleen op het strand en toch hoorden de beide echtelieden de invasie. Alsof zij er midden in stonden. Ik heb het verhaal destijds gefascineerd gelezen en terzijde gelegd. Tot mijn verbazing kwam ik evenwel eenzelfde verhaal tegen in de Beschrijving van Hellas van de 2e eeuwse auteur Pausanias. Pausanias beschrijft hoe men ’s nachts het slagveld van Marathon maar beter kan vermijden: “De hele nacht door klinkt er het geluid van briesende paarden en vechtende mannen. Het is nooit goed geweest voor wie dan ook om daar heen te gaan in een bewuste poging iets op te vangen van hetgeen zich daar afspeelt, maar de woede van de daimones is niet direct gericht tegen diegenen die zich daar per ongeluk ophouden.” (Pausanias vervolgt zelfs met de beschrijving hoe niet alleen de gestorven soldaten uit de slag van 490 v.Chr. in de 2e eeuw n.Chr. nog rondwaren op het slagveld, maar voegt eraan toe dat tijdens de slag een reeds gestorven boer (Echetlas genaamd) met zijn ploegschaar diverse strijders van de Perzen heeft gedood.) De overeenkomst tussen de ervaring van onze twee Amerikaanse toeristen uit de jaren 70 en de Griekse auteur Pausanias uit de tweede eeuw is treffend. Wat de oorzaak ervan is, valt niet uit te maken. Dat dit een belangrijk object van studie zou moeten zijn, is mij evenwel helder en ik beschouw het nieuwste boek van Angela Roothaan als een extra impuls om van dergelijke opmerkelijke fenomenen studie te blijven maken.